FlexiVerb

Dutch Verb

aanbreken

to begin, to onset · to break into, to open for the first time · to violently approach by storm

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aanbreken

Past Participle

aanbrekend

Pres. Participle

aanbrekend

Imperative

breek aan / breekt aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbreek aan
jijbreekt aan
hij/zij/hetbreekt aan
wijbreken aan
julliebreken aan
zijbreken aan

Verleden tijd

Simple Past

ikbrak aan
jijbrak aan
hij/zij/hetbrak aan
wijbraken aan
julliebraken aan
zijbraken aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aanbrekend
jijhebt aanbrekend
hij/zij/hetheeft aanbrekend
wijhebben aanbrekend
julliehebben aanbrekend
zijhebben aanbrekend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aanbrekend
jijhad aanbrekend
hij/zij/hethad aanbrekend
wijhadden aanbrekend
julliehadden aanbrekend
zijhadden aanbrekend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aanbreken
jijzal aanbreken
hij/zij/hetzal aanbreken
wijzullen aanbreken
julliezullen aanbreken
zijzullen aanbreken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aanbrekend hebben
jijzal aanbrekend hebben
hij/zij/hetzal aanbrekend hebben
wijzullen aanbrekend hebben
julliezullen aanbrekend hebben
zijzullen aanbrekend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aanbreken
jijzou aanbreken
hij/zij/hetzou aanbreken
wijzouden aanbreken
julliezouden aanbreken
zijzouden aanbreken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aanbrekend hebben
jijzou aanbrekend hebben
hij/zij/hetzou aanbrekend hebben
wijzouden aanbrekend hebben
julliezouden aanbrekend hebben
zijzouden aanbrekend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aanbreken
jijbent aan het aanbreken
hij/zij/hetis aan het aanbreken
wijzijn aan het aanbreken
julliezijn aan het aanbreken
zijzijn aan het aanbreken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aanbreken
jijwas aan het aanbreken
hij/zij/hetwas aan het aanbreken
wijwaren aan het aanbreken
julliewaren aan het aanbreken
zijwaren aan het aanbreken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaanbrek
jijaanbrek
hij/zij/hetaanbrek
wijaanbrek
jullieaanbrek
zijaanbrek

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0