FlexiVerb

Dutch Verb

aanduiden

to indicate, to mark, to point out · to express, to put into words

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aanduiden

Past Participle

aanduidend

Pres. Participle

aanduidend

Imperative

duid aan / duidt aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikduid aan
jijduidt aan
hij/zij/hetduidt aan
wijduiden aan
jullieduiden aan
zijduiden aan

Verleden tijd

Simple Past

ikduidde aan
jijduidde aan
hij/zij/hetduidde aan
wijduidden aan
jullieduidden aan
zijduidden aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aanduidend
jijhebt aanduidend
hij/zij/hetheeft aanduidend
wijhebben aanduidend
julliehebben aanduidend
zijhebben aanduidend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aanduidend
jijhad aanduidend
hij/zij/hethad aanduidend
wijhadden aanduidend
julliehadden aanduidend
zijhadden aanduidend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aanduiden
jijzal aanduiden
hij/zij/hetzal aanduiden
wijzullen aanduiden
julliezullen aanduiden
zijzullen aanduiden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aanduidend hebben
jijzal aanduidend hebben
hij/zij/hetzal aanduidend hebben
wijzullen aanduidend hebben
julliezullen aanduidend hebben
zijzullen aanduidend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aanduiden
jijzou aanduiden
hij/zij/hetzou aanduiden
wijzouden aanduiden
julliezouden aanduiden
zijzouden aanduiden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aanduidend hebben
jijzou aanduidend hebben
hij/zij/hetzou aanduidend hebben
wijzouden aanduidend hebben
julliezouden aanduidend hebben
zijzouden aanduidend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aanduiden
jijbent aan het aanduiden
hij/zij/hetis aan het aanduiden
wijzijn aan het aanduiden
julliezijn aan het aanduiden
zijzijn aan het aanduiden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aanduiden
jijwas aan het aanduiden
hij/zij/hetwas aan het aanduiden
wijwaren aan het aanduiden
julliewaren aan het aanduiden
zijwaren aan het aanduiden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaanduid
jijaanduid
hij/zij/hetaanduid
wijaanduid
jullieaanduid
zijaanduid

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0