FlexiVerb

Dutch Verb

aangaan

to be a concern to, to concern · to enter (into something), to begin (something) · to start, to turn on (of a machine or device, or lights) · to befall, to happen to

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aangaan

Past Participle

aangaand

Pres. Participle

aangaand

Imperative

ga aan / gaat aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikga aan
jijgaat aan
hij/zij/hetgaat aan
wijgaan aan
julliegaan aan
zijgaan aan

Verleden tijd

Simple Past

ikging aan
jijging aan
hij/zij/hetging aan
wijgingen aan
julliegingen aan
zijgingen aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aangaand
jijhebt aangaand
hij/zij/hetheeft aangaand
wijhebben aangaand
julliehebben aangaand
zijhebben aangaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aangaand
jijhad aangaand
hij/zij/hethad aangaand
wijhadden aangaand
julliehadden aangaand
zijhadden aangaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aangaan
jijzal aangaan
hij/zij/hetzal aangaan
wijzullen aangaan
julliezullen aangaan
zijzullen aangaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aangaand hebben
jijzal aangaand hebben
hij/zij/hetzal aangaand hebben
wijzullen aangaand hebben
julliezullen aangaand hebben
zijzullen aangaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aangaan
jijzou aangaan
hij/zij/hetzou aangaan
wijzouden aangaan
julliezouden aangaan
zijzouden aangaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aangaand hebben
jijzou aangaand hebben
hij/zij/hetzou aangaand hebben
wijzouden aangaand hebben
julliezouden aangaand hebben
zijzouden aangaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aangaan
jijbent aan het aangaan
hij/zij/hetis aan het aangaan
wijzijn aan het aangaan
julliezijn aan het aangaan
zijzijn aan het aangaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aangaan
jijwas aan het aangaan
hij/zij/hetwas aan het aangaan
wijwaren aan het aangaan
julliewaren aan het aangaan
zijwaren aan het aangaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaangaa
jijaangaa
hij/zij/hetaangaa
wijaangaa
jullieaangaa
zijaangaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0