FlexiVerb

Dutch Verb

aanleggen

to set up, lay out · to construct, to build · to moor (a boat) · to aim (e.g., a rifle, at a target)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aanleggen

Past Participle

aanleggend

Pres. Participle

aanleggend

Imperative

leg aan / legt aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikleg aan
jijlegt aan
hij/zij/hetlegt aan
wijleggen aan
jullieleggen aan
zijleggen aan

Verleden tijd

Simple Past

iklegde aan
jijlegde aan
hij/zij/hetlegde aan
wijlegden aan
jullielegden aan
zijlegden aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aanleggend
jijhebt aanleggend
hij/zij/hetheeft aanleggend
wijhebben aanleggend
julliehebben aanleggend
zijhebben aanleggend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aanleggend
jijhad aanleggend
hij/zij/hethad aanleggend
wijhadden aanleggend
julliehadden aanleggend
zijhadden aanleggend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aanleggen
jijzal aanleggen
hij/zij/hetzal aanleggen
wijzullen aanleggen
julliezullen aanleggen
zijzullen aanleggen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aanleggend hebben
jijzal aanleggend hebben
hij/zij/hetzal aanleggend hebben
wijzullen aanleggend hebben
julliezullen aanleggend hebben
zijzullen aanleggend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aanleggen
jijzou aanleggen
hij/zij/hetzou aanleggen
wijzouden aanleggen
julliezouden aanleggen
zijzouden aanleggen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aanleggend hebben
jijzou aanleggend hebben
hij/zij/hetzou aanleggend hebben
wijzouden aanleggend hebben
julliezouden aanleggend hebben
zijzouden aanleggend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aanleggen
jijbent aan het aanleggen
hij/zij/hetis aan het aanleggen
wijzijn aan het aanleggen
julliezijn aan het aanleggen
zijzijn aan het aanleggen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aanleggen
jijwas aan het aanleggen
hij/zij/hetwas aan het aanleggen
wijwaren aan het aanleggen
julliewaren aan het aanleggen
zijwaren aan het aanleggen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaanlegg
jijaanlegg
hij/zij/hetaanlegg
wijaanlegg
jullieaanlegg
zijaanlegg

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0