Dutch Verb
aanprijzen
to recommend · to praise, to extol
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
aanprijzen
Past Participle
aanprijzend
Pres. Participle
aanprijzend
Imperative
prijs aan / prijst aan
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikprijs aan
jijprijst aan
hij/zij/hetprijst aan
wijprijzen aan
jullieprijzen aan
zijprijzen aan
Verleden tijd
Simple Past
ikprees aan
jijprees aan
hij/zij/hetprees aan
wijprezen aan
jullieprezen aan
zijprezen aan
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb aanprijzend
jijhebt aanprijzend
hij/zij/hetheeft aanprijzend
wijhebben aanprijzend
julliehebben aanprijzend
zijhebben aanprijzend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad aanprijzend
jijhad aanprijzend
hij/zij/hethad aanprijzend
wijhadden aanprijzend
julliehadden aanprijzend
zijhadden aanprijzend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal aanprijzen
jijzal aanprijzen
hij/zij/hetzal aanprijzen
wijzullen aanprijzen
julliezullen aanprijzen
zijzullen aanprijzen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal aanprijzend hebben
jijzal aanprijzend hebben
hij/zij/hetzal aanprijzend hebben
wijzullen aanprijzend hebben
julliezullen aanprijzend hebben
zijzullen aanprijzend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou aanprijzen
jijzou aanprijzen
hij/zij/hetzou aanprijzen
wijzouden aanprijzen
julliezouden aanprijzen
zijzouden aanprijzen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou aanprijzend hebben
jijzou aanprijzend hebben
hij/zij/hetzou aanprijzend hebben
wijzouden aanprijzend hebben
julliezouden aanprijzend hebben
zijzouden aanprijzend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het aanprijzen
jijbent aan het aanprijzen
hij/zij/hetis aan het aanprijzen
wijzijn aan het aanprijzen
julliezijn aan het aanprijzen
zijzijn aan het aanprijzen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het aanprijzen
jijwas aan het aanprijzen
hij/zij/hetwas aan het aanprijzen
wijwaren aan het aanprijzen
julliewaren aan het aanprijzen
zijwaren aan het aanprijzen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikaanprijz
jijaanprijz
hij/zij/hetaanprijz
wijaanprijz
jullieaanprijz
zijaanprijz
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0