FlexiVerb

Dutch Verb

aanslaan

to strike physically so as to activate or produce an effect · to tax (a taxable person) with a tax assessment · to start, to kick in, to switch on · to start barking (as a sign of alarm)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aanslaan

Past Participle

aanslaand

Pres. Participle

aanslaand

Imperative

sla aan / slaat aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksla aan
jijslaat aan
hij/zij/hetslaat aan
wijslaan aan
jullieslaan aan
zijslaan aan

Verleden tijd

Simple Past

iksloeg aan
jijsloeg aan
hij/zij/hetsloeg aan
wijsloegen aan
julliesloegen aan
zijsloegen aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aanslaand
jijhebt aanslaand
hij/zij/hetheeft aanslaand
wijhebben aanslaand
julliehebben aanslaand
zijhebben aanslaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aanslaand
jijhad aanslaand
hij/zij/hethad aanslaand
wijhadden aanslaand
julliehadden aanslaand
zijhadden aanslaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aanslaan
jijzal aanslaan
hij/zij/hetzal aanslaan
wijzullen aanslaan
julliezullen aanslaan
zijzullen aanslaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aanslaand hebben
jijzal aanslaand hebben
hij/zij/hetzal aanslaand hebben
wijzullen aanslaand hebben
julliezullen aanslaand hebben
zijzullen aanslaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aanslaan
jijzou aanslaan
hij/zij/hetzou aanslaan
wijzouden aanslaan
julliezouden aanslaan
zijzouden aanslaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aanslaand hebben
jijzou aanslaand hebben
hij/zij/hetzou aanslaand hebben
wijzouden aanslaand hebben
julliezouden aanslaand hebben
zijzouden aanslaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aanslaan
jijbent aan het aanslaan
hij/zij/hetis aan het aanslaan
wijzijn aan het aanslaan
julliezijn aan het aanslaan
zijzijn aan het aanslaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aanslaan
jijwas aan het aanslaan
hij/zij/hetwas aan het aanslaan
wijwaren aan het aanslaan
julliewaren aan het aanslaan
zijwaren aan het aanslaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaanslaa
jijaanslaa
hij/zij/hetaanslaa
wijaanslaa
jullieaanslaa
zijaanslaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0