Dutch Verb
aantreden
to fall in (get into position) · to accept, to join (a position of office)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
aantreden
Past Participle
aantredend
Pres. Participle
aantredend
Imperative
treed aan / treedt aan
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
iktreed aan
jijtreedt aan
hij/zij/hettreedt aan
wijtreden aan
jullietreden aan
zijtreden aan
Verleden tijd
Simple Past
iktrad aan
jijtrad aan
hij/zij/hettrad aan
wijtraden aan
jullietraden aan
zijtraden aan
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb aantredend
jijhebt aantredend
hij/zij/hetheeft aantredend
wijhebben aantredend
julliehebben aantredend
zijhebben aantredend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad aantredend
jijhad aantredend
hij/zij/hethad aantredend
wijhadden aantredend
julliehadden aantredend
zijhadden aantredend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal aantreden
jijzal aantreden
hij/zij/hetzal aantreden
wijzullen aantreden
julliezullen aantreden
zijzullen aantreden
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal aantredend hebben
jijzal aantredend hebben
hij/zij/hetzal aantredend hebben
wijzullen aantredend hebben
julliezullen aantredend hebben
zijzullen aantredend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou aantreden
jijzou aantreden
hij/zij/hetzou aantreden
wijzouden aantreden
julliezouden aantreden
zijzouden aantreden
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou aantredend hebben
jijzou aantredend hebben
hij/zij/hetzou aantredend hebben
wijzouden aantredend hebben
julliezouden aantredend hebben
zijzouden aantredend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het aantreden
jijbent aan het aantreden
hij/zij/hetis aan het aantreden
wijzijn aan het aantreden
julliezijn aan het aantreden
zijzijn aan het aantreden
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het aantreden
jijwas aan het aantreden
hij/zij/hetwas aan het aantreden
wijwaren aan het aantreden
julliewaren aan het aantreden
zijwaren aan het aantreden
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikaantred
jijaantred
hij/zij/hetaantred
wijaantred
jullieaantred
zijaantred
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0