FlexiVerb

Dutch Verb

aanvoegen

to join up

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aanvoegen

Past Participle

aanvoegend

Pres. Participle

aanvoegend

Imperative

voeg aan / voegt aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvoeg aan
jijvoegt aan
hij/zij/hetvoegt aan
wijvoegen aan
jullievoegen aan
zijvoegen aan

Verleden tijd

Simple Past

ikvoegde aan
jijvoegde aan
hij/zij/hetvoegde aan
wijvoegden aan
jullievoegden aan
zijvoegden aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aanvoegend
jijhebt aanvoegend
hij/zij/hetheeft aanvoegend
wijhebben aanvoegend
julliehebben aanvoegend
zijhebben aanvoegend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aanvoegend
jijhad aanvoegend
hij/zij/hethad aanvoegend
wijhadden aanvoegend
julliehadden aanvoegend
zijhadden aanvoegend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aanvoegen
jijzal aanvoegen
hij/zij/hetzal aanvoegen
wijzullen aanvoegen
julliezullen aanvoegen
zijzullen aanvoegen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aanvoegend hebben
jijzal aanvoegend hebben
hij/zij/hetzal aanvoegend hebben
wijzullen aanvoegend hebben
julliezullen aanvoegend hebben
zijzullen aanvoegend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aanvoegen
jijzou aanvoegen
hij/zij/hetzou aanvoegen
wijzouden aanvoegen
julliezouden aanvoegen
zijzouden aanvoegen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aanvoegend hebben
jijzou aanvoegend hebben
hij/zij/hetzou aanvoegend hebben
wijzouden aanvoegend hebben
julliezouden aanvoegend hebben
zijzouden aanvoegend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aanvoegen
jijbent aan het aanvoegen
hij/zij/hetis aan het aanvoegen
wijzijn aan het aanvoegen
julliezijn aan het aanvoegen
zijzijn aan het aanvoegen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aanvoegen
jijwas aan het aanvoegen
hij/zij/hetwas aan het aanvoegen
wijwaren aan het aanvoegen
julliewaren aan het aanvoegen
zijwaren aan het aanvoegen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaanvoeg
jijaanvoeg
hij/zij/hetaanvoeg
wijaanvoeg
jullieaanvoeg
zijaanvoeg

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0