FlexiVerb

Dutch Verb

aanvoeren

to supply · to command

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aanvoeren

Past Participle

aanvoerend

Pres. Participle

aanvoerend

Imperative

voer aan / voert aan

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvoer aan
jijvoert aan
hij/zij/hetvoert aan
wijvoeren aan
jullievoeren aan
zijvoeren aan

Verleden tijd

Simple Past

ikvoerde aan
jijvoerde aan
hij/zij/hetvoerde aan
wijvoerden aan
jullievoerden aan
zijvoerden aan

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aanvoerend
jijhebt aanvoerend
hij/zij/hetheeft aanvoerend
wijhebben aanvoerend
julliehebben aanvoerend
zijhebben aanvoerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aanvoerend
jijhad aanvoerend
hij/zij/hethad aanvoerend
wijhadden aanvoerend
julliehadden aanvoerend
zijhadden aanvoerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aanvoeren
jijzal aanvoeren
hij/zij/hetzal aanvoeren
wijzullen aanvoeren
julliezullen aanvoeren
zijzullen aanvoeren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aanvoerend hebben
jijzal aanvoerend hebben
hij/zij/hetzal aanvoerend hebben
wijzullen aanvoerend hebben
julliezullen aanvoerend hebben
zijzullen aanvoerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aanvoeren
jijzou aanvoeren
hij/zij/hetzou aanvoeren
wijzouden aanvoeren
julliezouden aanvoeren
zijzouden aanvoeren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aanvoerend hebben
jijzou aanvoerend hebben
hij/zij/hetzou aanvoerend hebben
wijzouden aanvoerend hebben
julliezouden aanvoerend hebben
zijzouden aanvoerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aanvoeren
jijbent aan het aanvoeren
hij/zij/hetis aan het aanvoeren
wijzijn aan het aanvoeren
julliezijn aan het aanvoeren
zijzijn aan het aanvoeren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aanvoeren
jijwas aan het aanvoeren
hij/zij/hetwas aan het aanvoeren
wijwaren aan het aanvoeren
julliewaren aan het aanvoeren
zijwaren aan het aanvoeren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaanvoer
jijaanvoer
hij/zij/hetaanvoer
wijaanvoer
jullieaanvoer
zijaanvoer

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0