Dutch Verb
aanzwellen
to swell · to swell up, surge
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
aanzwellen
Past Participle
aanzwellend
Pres. Participle
aanzwellend
Imperative
zwel aan / zwelt aan
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikzwel aan
jijzwelt aan
hij/zij/hetzwelt aan
wijzwellen aan
julliezwellen aan
zijzwellen aan
Verleden tijd
Simple Past
ikzwol aan
jijzwol aan
hij/zij/hetzwol aan
wijzwollen aan
julliezwollen aan
zijzwollen aan
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb aanzwellend
jijhebt aanzwellend
hij/zij/hetheeft aanzwellend
wijhebben aanzwellend
julliehebben aanzwellend
zijhebben aanzwellend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad aanzwellend
jijhad aanzwellend
hij/zij/hethad aanzwellend
wijhadden aanzwellend
julliehadden aanzwellend
zijhadden aanzwellend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal aanzwellen
jijzal aanzwellen
hij/zij/hetzal aanzwellen
wijzullen aanzwellen
julliezullen aanzwellen
zijzullen aanzwellen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal aanzwellend hebben
jijzal aanzwellend hebben
hij/zij/hetzal aanzwellend hebben
wijzullen aanzwellend hebben
julliezullen aanzwellend hebben
zijzullen aanzwellend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou aanzwellen
jijzou aanzwellen
hij/zij/hetzou aanzwellen
wijzouden aanzwellen
julliezouden aanzwellen
zijzouden aanzwellen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou aanzwellend hebben
jijzou aanzwellend hebben
hij/zij/hetzou aanzwellend hebben
wijzouden aanzwellend hebben
julliezouden aanzwellend hebben
zijzouden aanzwellend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het aanzwellen
jijbent aan het aanzwellen
hij/zij/hetis aan het aanzwellen
wijzijn aan het aanzwellen
julliezijn aan het aanzwellen
zijzijn aan het aanzwellen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het aanzwellen
jijwas aan het aanzwellen
hij/zij/hetwas aan het aanzwellen
wijwaren aan het aanzwellen
julliewaren aan het aanzwellen
zijwaren aan het aanzwellen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikaanzwell
jijaanzwell
hij/zij/hetaanzwell
wijaanzwell
jullieaanzwell
zijaanzwell
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0