Dutch Verb
absorberen
to absorb
takes hebbenstrongregular
Infinitive
absorberen
Past Participle
absorberend
Pres. Participle
absorberend
Imperative
absorbeer / absorbeert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikabsorbeer
jijabsorbeert
hij/zij/hetabsorbeert
wijabsorberen
jullieabsorberen
zijabsorberen
Verleden tijd
Simple Past
ikabsorbeerde
jijabsorbeerde
hij/zij/hetabsorbeerde
wijabsorbeerden
jullieabsorbeerden
zijabsorbeerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb absorberend
jijhebt absorberend
hij/zij/hetheeft absorberend
wijhebben absorberend
julliehebben absorberend
zijhebben absorberend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad absorberend
jijhad absorberend
hij/zij/hethad absorberend
wijhadden absorberend
julliehadden absorberend
zijhadden absorberend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal absorberen
jijzal absorberen
hij/zij/hetzal absorberen
wijzullen absorberen
julliezullen absorberen
zijzullen absorberen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal absorberend hebben
jijzal absorberend hebben
hij/zij/hetzal absorberend hebben
wijzullen absorberend hebben
julliezullen absorberend hebben
zijzullen absorberend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou absorberen
jijzou absorberen
hij/zij/hetzou absorberen
wijzouden absorberen
julliezouden absorberen
zijzouden absorberen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou absorberend hebben
jijzou absorberend hebben
hij/zij/hetzou absorberend hebben
wijzouden absorberend hebben
julliezouden absorberend hebben
zijzouden absorberend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het absorberen
jijbent aan het absorberen
hij/zij/hetis aan het absorberen
wijzijn aan het absorberen
julliezijn aan het absorberen
zijzijn aan het absorberen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het absorberen
jijwas aan het absorberen
hij/zij/hetwas aan het absorberen
wijwaren aan het absorberen
julliewaren aan het absorberen
zijwaren aan het absorberen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikabsorber
jijabsorber
hij/zij/hetabsorber
wijabsorber
jullieabsorber
zijabsorber
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0