FlexiVerb

Dutch Verb

adelen

to ennoble (to bestow with nobility) · to ennoble, elevate, edify

takes hebbenstrongregular

Infinitive

adelen

Past Participle

adelend

Pres. Participle

adelend

Imperative

adel / adelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikadel
jijadelt
hij/zij/hetadelt
wijadelen
jullieadelen
zijadelen

Verleden tijd

Simple Past

ikadelde
jijadelde
hij/zij/hetadelde
wijadelden
jullieadelden
zijadelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb adelend
jijhebt adelend
hij/zij/hetheeft adelend
wijhebben adelend
julliehebben adelend
zijhebben adelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad adelend
jijhad adelend
hij/zij/hethad adelend
wijhadden adelend
julliehadden adelend
zijhadden adelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal adelen
jijzal adelen
hij/zij/hetzal adelen
wijzullen adelen
julliezullen adelen
zijzullen adelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal adelend hebben
jijzal adelend hebben
hij/zij/hetzal adelend hebben
wijzullen adelend hebben
julliezullen adelend hebben
zijzullen adelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou adelen
jijzou adelen
hij/zij/hetzou adelen
wijzouden adelen
julliezouden adelen
zijzouden adelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou adelend hebben
jijzou adelend hebben
hij/zij/hetzou adelend hebben
wijzouden adelend hebben
julliezouden adelend hebben
zijzouden adelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het adelen
jijbent aan het adelen
hij/zij/hetis aan het adelen
wijzijn aan het adelen
julliezijn aan het adelen
zijzijn aan het adelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het adelen
jijwas aan het adelen
hij/zij/hetwas aan het adelen
wijwaren aan het adelen
julliewaren aan het adelen
zijwaren aan het adelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikadel
jijadel
hij/zij/hetadel
wijadel
jullieadel
zijadel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0