FlexiVerb

Dutch Verb

afkeuren

to disapprove of · to condemn · to fail (at an inspection) · to refuse, reject, declare unfit (for military service)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

afkeuren

Past Participle

afkeurend

Pres. Participle

afkeurend

Imperative

keur af / keurt af

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikkeur af
jijkeurt af
hij/zij/hetkeurt af
wijkeuren af
julliekeuren af
zijkeuren af

Verleden tijd

Simple Past

ikkeurde af
jijkeurde af
hij/zij/hetkeurde af
wijkeurden af
julliekeurden af
zijkeurden af

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb afkeurend
jijhebt afkeurend
hij/zij/hetheeft afkeurend
wijhebben afkeurend
julliehebben afkeurend
zijhebben afkeurend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad afkeurend
jijhad afkeurend
hij/zij/hethad afkeurend
wijhadden afkeurend
julliehadden afkeurend
zijhadden afkeurend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal afkeuren
jijzal afkeuren
hij/zij/hetzal afkeuren
wijzullen afkeuren
julliezullen afkeuren
zijzullen afkeuren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal afkeurend hebben
jijzal afkeurend hebben
hij/zij/hetzal afkeurend hebben
wijzullen afkeurend hebben
julliezullen afkeurend hebben
zijzullen afkeurend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou afkeuren
jijzou afkeuren
hij/zij/hetzou afkeuren
wijzouden afkeuren
julliezouden afkeuren
zijzouden afkeuren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou afkeurend hebben
jijzou afkeurend hebben
hij/zij/hetzou afkeurend hebben
wijzouden afkeurend hebben
julliezouden afkeurend hebben
zijzouden afkeurend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het afkeuren
jijbent aan het afkeuren
hij/zij/hetis aan het afkeuren
wijzijn aan het afkeuren
julliezijn aan het afkeuren
zijzijn aan het afkeuren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het afkeuren
jijwas aan het afkeuren
hij/zij/hetwas aan het afkeuren
wijwaren aan het afkeuren
julliewaren aan het afkeuren
zijwaren aan het afkeuren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikafkeur
jijafkeur
hij/zij/hetafkeur
wijafkeur
jullieafkeur
zijafkeur

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0