Dutch Verb
afstempelen
to stamp, to mark or check off by stamping (e.g. on a strippenkaart)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
afstempelen
Past Participle
afstempelend
Pres. Participle
afstempelend
Imperative
stempel af / stempelt af
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikstempel af
jijstempelt af
hij/zij/hetstempelt af
wijstempelen af
julliestempelen af
zijstempelen af
Verleden tijd
Simple Past
ikstempelde af
jijstempelde af
hij/zij/hetstempelde af
wijstempelden af
julliestempelden af
zijstempelden af
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb afstempelend
jijhebt afstempelend
hij/zij/hetheeft afstempelend
wijhebben afstempelend
julliehebben afstempelend
zijhebben afstempelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad afstempelend
jijhad afstempelend
hij/zij/hethad afstempelend
wijhadden afstempelend
julliehadden afstempelend
zijhadden afstempelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal afstempelen
jijzal afstempelen
hij/zij/hetzal afstempelen
wijzullen afstempelen
julliezullen afstempelen
zijzullen afstempelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal afstempelend hebben
jijzal afstempelend hebben
hij/zij/hetzal afstempelend hebben
wijzullen afstempelend hebben
julliezullen afstempelend hebben
zijzullen afstempelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou afstempelen
jijzou afstempelen
hij/zij/hetzou afstempelen
wijzouden afstempelen
julliezouden afstempelen
zijzouden afstempelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou afstempelend hebben
jijzou afstempelend hebben
hij/zij/hetzou afstempelend hebben
wijzouden afstempelend hebben
julliezouden afstempelend hebben
zijzouden afstempelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het afstempelen
jijbent aan het afstempelen
hij/zij/hetis aan het afstempelen
wijzijn aan het afstempelen
julliezijn aan het afstempelen
zijzijn aan het afstempelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het afstempelen
jijwas aan het afstempelen
hij/zij/hetwas aan het afstempelen
wijwaren aan het afstempelen
julliewaren aan het afstempelen
zijwaren aan het afstempelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikafstempel
jijafstempel
hij/zij/hetafstempel
wijafstempel
jullieafstempel
zijafstempel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0