FlexiVerb

Dutch Verb

aftrekken

to pull off · to subtract · to clean/level etc. with a squeegee · to wank, to jerk off, to give a hand job; to stimulate one's own or another person's penis using the hand

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

aftrekken

Past Participle

aftrekkend

Pres. Participle

aftrekkend

Imperative

trek af / trekt af

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iktrek af
jijtrekt af
hij/zij/hettrekt af
wijtrekken af
jullietrekken af
zijtrekken af

Verleden tijd

Simple Past

iktrok af
jijtrok af
hij/zij/hettrok af
wijtrokken af
jullietrokken af
zijtrokken af

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb aftrekkend
jijhebt aftrekkend
hij/zij/hetheeft aftrekkend
wijhebben aftrekkend
julliehebben aftrekkend
zijhebben aftrekkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad aftrekkend
jijhad aftrekkend
hij/zij/hethad aftrekkend
wijhadden aftrekkend
julliehadden aftrekkend
zijhadden aftrekkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal aftrekken
jijzal aftrekken
hij/zij/hetzal aftrekken
wijzullen aftrekken
julliezullen aftrekken
zijzullen aftrekken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal aftrekkend hebben
jijzal aftrekkend hebben
hij/zij/hetzal aftrekkend hebben
wijzullen aftrekkend hebben
julliezullen aftrekkend hebben
zijzullen aftrekkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou aftrekken
jijzou aftrekken
hij/zij/hetzou aftrekken
wijzouden aftrekken
julliezouden aftrekken
zijzouden aftrekken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou aftrekkend hebben
jijzou aftrekkend hebben
hij/zij/hetzou aftrekkend hebben
wijzouden aftrekkend hebben
julliezouden aftrekkend hebben
zijzouden aftrekkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het aftrekken
jijbent aan het aftrekken
hij/zij/hetis aan het aftrekken
wijzijn aan het aftrekken
julliezijn aan het aftrekken
zijzijn aan het aftrekken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het aftrekken
jijwas aan het aftrekken
hij/zij/hetwas aan het aftrekken
wijwaren aan het aftrekken
julliewaren aan het aftrekken
zijwaren aan het aftrekken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikaftrekk
jijaftrekk
hij/zij/hetaftrekk
wijaftrekk
jullieaftrekk
zijaftrekk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0