FlexiVerb

Dutch Verb

afwijken

to go away, to leave · to deviate · to differ

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

afwijken

Past Participle

afwijkend

Pres. Participle

afwijkend

Imperative

wijk af / wijkt af

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikwijk af
jijwijkt af
hij/zij/hetwijkt af
wijwijken af
julliewijken af
zijwijken af

Verleden tijd

Simple Past

ikweek af
jijweek af
hij/zij/hetweek af
wijweken af
jullieweken af
zijweken af

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb afwijkend
jijhebt afwijkend
hij/zij/hetheeft afwijkend
wijhebben afwijkend
julliehebben afwijkend
zijhebben afwijkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad afwijkend
jijhad afwijkend
hij/zij/hethad afwijkend
wijhadden afwijkend
julliehadden afwijkend
zijhadden afwijkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal afwijken
jijzal afwijken
hij/zij/hetzal afwijken
wijzullen afwijken
julliezullen afwijken
zijzullen afwijken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal afwijkend hebben
jijzal afwijkend hebben
hij/zij/hetzal afwijkend hebben
wijzullen afwijkend hebben
julliezullen afwijkend hebben
zijzullen afwijkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou afwijken
jijzou afwijken
hij/zij/hetzou afwijken
wijzouden afwijken
julliezouden afwijken
zijzouden afwijken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou afwijkend hebben
jijzou afwijkend hebben
hij/zij/hetzou afwijkend hebben
wijzouden afwijkend hebben
julliezouden afwijkend hebben
zijzouden afwijkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het afwijken
jijbent aan het afwijken
hij/zij/hetis aan het afwijken
wijzijn aan het afwijken
julliezijn aan het afwijken
zijzijn aan het afwijken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het afwijken
jijwas aan het afwijken
hij/zij/hetwas aan het afwijken
wijwaren aan het afwijken
julliewaren aan het afwijken
zijwaren aan het afwijken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikafwijk
jijafwijk
hij/zij/hetafwijk
wijafwijk
jullieafwijk
zijafwijk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0