FlexiVerb

Dutch Verb

arriveren

to arrive

takes zijnstrongregular

Infinitive

arriveren

Past Participle

arriverend

Pres. Participle

arriverend

Imperative

arriveer / arriveert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikarriveer
jijarriveert
hij/zij/hetarriveert
wijarriveren
julliearriveren
zijarriveren

Verleden tijd

Simple Past

ikarriveerde
jijarriveerde
hij/zij/hetarriveerde
wijarriveerden
julliearriveerden
zijarriveerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

zijn (present) + past participle
ikben arriverend
jijbent arriverend
hij/zij/hetis arriverend
wijzijn arriverend
julliezijn arriverend
zijzijn arriverend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

zijn (past) + past participle
ikwas arriverend
jijwas arriverend
hij/zij/hetwas arriverend
wijwaren arriverend
julliewaren arriverend
zijwaren arriverend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal arriveren
jijzal arriveren
hij/zij/hetzal arriveren
wijzullen arriveren
julliezullen arriveren
zijzullen arriveren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + zijn
ikzal arriverend zijn
jijzal arriverend zijn
hij/zij/hetzal arriverend zijn
wijzullen arriverend zijn
julliezullen arriverend zijn
zijzullen arriverend zijn

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou arriveren
jijzou arriveren
hij/zij/hetzou arriveren
wijzouden arriveren
julliezouden arriveren
zijzouden arriveren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + zijn
ikzou arriverend zijn
jijzou arriverend zijn
hij/zij/hetzou arriverend zijn
wijzouden arriverend zijn
julliezouden arriverend zijn
zijzouden arriverend zijn

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het arriveren
jijbent aan het arriveren
hij/zij/hetis aan het arriveren
wijzijn aan het arriveren
julliezijn aan het arriveren
zijzijn aan het arriveren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het arriveren
jijwas aan het arriveren
hij/zij/hetwas aan het arriveren
wijwaren aan het arriveren
julliewaren aan het arriveren
zijwaren aan het arriveren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikarriver
jijarriver
hij/zij/hetarriver
wijarriver
julliearriver
zijarriver

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0