Dutch Verb
avanceren
to advance
takes hebbenstrongregular
Infinitive
avanceren
Past Participle
avancerend
Pres. Participle
avancerend
Imperative
avanceer / avanceert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikavanceer
jijavanceert
hij/zij/hetavanceert
wijavanceren
jullieavanceren
zijavanceren
Verleden tijd
Simple Past
ikavanceerde
jijavanceerde
hij/zij/hetavanceerde
wijavanceerden
jullieavanceerden
zijavanceerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb avancerend
jijhebt avancerend
hij/zij/hetheeft avancerend
wijhebben avancerend
julliehebben avancerend
zijhebben avancerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad avancerend
jijhad avancerend
hij/zij/hethad avancerend
wijhadden avancerend
julliehadden avancerend
zijhadden avancerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal avanceren
jijzal avanceren
hij/zij/hetzal avanceren
wijzullen avanceren
julliezullen avanceren
zijzullen avanceren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal avancerend hebben
jijzal avancerend hebben
hij/zij/hetzal avancerend hebben
wijzullen avancerend hebben
julliezullen avancerend hebben
zijzullen avancerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou avanceren
jijzou avanceren
hij/zij/hetzou avanceren
wijzouden avanceren
julliezouden avanceren
zijzouden avanceren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou avancerend hebben
jijzou avancerend hebben
hij/zij/hetzou avancerend hebben
wijzouden avancerend hebben
julliezouden avancerend hebben
zijzouden avancerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het avanceren
jijbent aan het avanceren
hij/zij/hetis aan het avanceren
wijzijn aan het avanceren
julliezijn aan het avanceren
zijzijn aan het avanceren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het avanceren
jijwas aan het avanceren
hij/zij/hetwas aan het avanceren
wijwaren aan het avanceren
julliewaren aan het avanceren
zijwaren aan het avanceren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikavancer
jijavancer
hij/zij/hetavancer
wijavancer
jullieavancer
zijavancer
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0