Dutch Verb
babbelen
to chatter, to chit-chat, to talk casually · to nibble, to bite on something
takes hebbenstrongregular
Infinitive
babbelen
Past Participle
babbelend
Pres. Participle
babbelend
Imperative
babbel / babbelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbabbel
jijbabbelt
hij/zij/hetbabbelt
wijbabbelen
julliebabbelen
zijbabbelen
Verleden tijd
Simple Past
ikbabbelde
jijbabbelde
hij/zij/hetbabbelde
wijbabbelden
julliebabbelden
zijbabbelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb babbelend
jijhebt babbelend
hij/zij/hetheeft babbelend
wijhebben babbelend
julliehebben babbelend
zijhebben babbelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad babbelend
jijhad babbelend
hij/zij/hethad babbelend
wijhadden babbelend
julliehadden babbelend
zijhadden babbelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal babbelen
jijzal babbelen
hij/zij/hetzal babbelen
wijzullen babbelen
julliezullen babbelen
zijzullen babbelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal babbelend hebben
jijzal babbelend hebben
hij/zij/hetzal babbelend hebben
wijzullen babbelend hebben
julliezullen babbelend hebben
zijzullen babbelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou babbelen
jijzou babbelen
hij/zij/hetzou babbelen
wijzouden babbelen
julliezouden babbelen
zijzouden babbelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou babbelend hebben
jijzou babbelend hebben
hij/zij/hetzou babbelend hebben
wijzouden babbelend hebben
julliezouden babbelend hebben
zijzouden babbelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het babbelen
jijbent aan het babbelen
hij/zij/hetis aan het babbelen
wijzijn aan het babbelen
julliezijn aan het babbelen
zijzijn aan het babbelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het babbelen
jijwas aan het babbelen
hij/zij/hetwas aan het babbelen
wijwaren aan het babbelen
julliewaren aan het babbelen
zijwaren aan het babbelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbabbel
jijbabbel
hij/zij/hetbabbel
wijbabbel
julliebabbel
zijbabbel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0