FlexiVerb

Dutch Verb

baden

to bathe · to shower

takes hebbenstrongregular

Infinitive

baden

Past Participle

badend

Pres. Participle

badend

Imperative

baad / baadt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbaad
jijbaadt
hij/zij/hetbaadt
wijbaden
julliebaden
zijbaden

Verleden tijd

Simple Past

ikbaadde
jijbaadde
hij/zij/hetbaadde
wijbaadden
julliebaadden
zijbaadden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb badend
jijhebt badend
hij/zij/hetheeft badend
wijhebben badend
julliehebben badend
zijhebben badend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad badend
jijhad badend
hij/zij/hethad badend
wijhadden badend
julliehadden badend
zijhadden badend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal baden
jijzal baden
hij/zij/hetzal baden
wijzullen baden
julliezullen baden
zijzullen baden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal badend hebben
jijzal badend hebben
hij/zij/hetzal badend hebben
wijzullen badend hebben
julliezullen badend hebben
zijzullen badend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou baden
jijzou baden
hij/zij/hetzou baden
wijzouden baden
julliezouden baden
zijzouden baden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou badend hebben
jijzou badend hebben
hij/zij/hetzou badend hebben
wijzouden badend hebben
julliezouden badend hebben
zijzouden badend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het baden
jijbent aan het baden
hij/zij/hetis aan het baden
wijzijn aan het baden
julliezijn aan het baden
zijzijn aan het baden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het baden
jijwas aan het baden
hij/zij/hetwas aan het baden
wijwaren aan het baden
julliewaren aan het baden
zijwaren aan het baden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbad
jijbad
hij/zij/hetbad
wijbad
julliebad
zijbad

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0