Dutch Verb
bakeren
to dry-nurse · to swaddle
takes hebbenstrongregular
Infinitive
bakeren
Past Participle
bakerend
Pres. Participle
bakerend
Imperative
baker / bakert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbaker
jijbakert
hij/zij/hetbakert
wijbakeren
julliebakeren
zijbakeren
Verleden tijd
Simple Past
ikbakerde
jijbakerde
hij/zij/hetbakerde
wijbakerden
julliebakerden
zijbakerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bakerend
jijhebt bakerend
hij/zij/hetheeft bakerend
wijhebben bakerend
julliehebben bakerend
zijhebben bakerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bakerend
jijhad bakerend
hij/zij/hethad bakerend
wijhadden bakerend
julliehadden bakerend
zijhadden bakerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bakeren
jijzal bakeren
hij/zij/hetzal bakeren
wijzullen bakeren
julliezullen bakeren
zijzullen bakeren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bakerend hebben
jijzal bakerend hebben
hij/zij/hetzal bakerend hebben
wijzullen bakerend hebben
julliezullen bakerend hebben
zijzullen bakerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bakeren
jijzou bakeren
hij/zij/hetzou bakeren
wijzouden bakeren
julliezouden bakeren
zijzouden bakeren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bakerend hebben
jijzou bakerend hebben
hij/zij/hetzou bakerend hebben
wijzouden bakerend hebben
julliezouden bakerend hebben
zijzouden bakerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bakeren
jijbent aan het bakeren
hij/zij/hetis aan het bakeren
wijzijn aan het bakeren
julliezijn aan het bakeren
zijzijn aan het bakeren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bakeren
jijwas aan het bakeren
hij/zij/hetwas aan het bakeren
wijwaren aan het bakeren
julliewaren aan het bakeren
zijwaren aan het bakeren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbaker
jijbaker
hij/zij/hetbaker
wijbaker
julliebaker
zijbaker
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0