Dutch Verb
balen
to be annoyed, frustrated or fed up · to be bored; to be mildly annoyed through having nothing to do
takes hebbenstrongregular
Infinitive
balen
Past Participle
balend
Pres. Participle
balend
Imperative
baal / baalt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbaal
jijbaalt
hij/zij/hetbaalt
wijbalen
julliebalen
zijbalen
Verleden tijd
Simple Past
ikbaalde
jijbaalde
hij/zij/hetbaalde
wijbaalden
julliebaalden
zijbaalden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb balend
jijhebt balend
hij/zij/hetheeft balend
wijhebben balend
julliehebben balend
zijhebben balend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad balend
jijhad balend
hij/zij/hethad balend
wijhadden balend
julliehadden balend
zijhadden balend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal balen
jijzal balen
hij/zij/hetzal balen
wijzullen balen
julliezullen balen
zijzullen balen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal balend hebben
jijzal balend hebben
hij/zij/hetzal balend hebben
wijzullen balend hebben
julliezullen balend hebben
zijzullen balend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou balen
jijzou balen
hij/zij/hetzou balen
wijzouden balen
julliezouden balen
zijzouden balen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou balend hebben
jijzou balend hebben
hij/zij/hetzou balend hebben
wijzouden balend hebben
julliezouden balend hebben
zijzouden balend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het balen
jijbent aan het balen
hij/zij/hetis aan het balen
wijzijn aan het balen
julliezijn aan het balen
zijzijn aan het balen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het balen
jijwas aan het balen
hij/zij/hetwas aan het balen
wijwaren aan het balen
julliewaren aan het balen
zijwaren aan het balen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbal
jijbal
hij/zij/hetbal
wijbal
julliebal
zijbal
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0