FlexiVerb

Dutch Verb

balsemen

to embalm, treat a corpse in order to prevent decomposition long-term · to treat with a balm · to soften, physically or emotionally

takes hebbenstrongregular

Infinitive

balsemen

Past Participle

balsemend

Pres. Participle

balsemend

Imperative

balsem / balsemt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbalsem
jijbalsemt
hij/zij/hetbalsemt
wijbalsemen
julliebalsemen
zijbalsemen

Verleden tijd

Simple Past

ikbalsemde
jijbalsemde
hij/zij/hetbalsemde
wijbalsemden
julliebalsemden
zijbalsemden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb balsemend
jijhebt balsemend
hij/zij/hetheeft balsemend
wijhebben balsemend
julliehebben balsemend
zijhebben balsemend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad balsemend
jijhad balsemend
hij/zij/hethad balsemend
wijhadden balsemend
julliehadden balsemend
zijhadden balsemend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal balsemen
jijzal balsemen
hij/zij/hetzal balsemen
wijzullen balsemen
julliezullen balsemen
zijzullen balsemen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal balsemend hebben
jijzal balsemend hebben
hij/zij/hetzal balsemend hebben
wijzullen balsemend hebben
julliezullen balsemend hebben
zijzullen balsemend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou balsemen
jijzou balsemen
hij/zij/hetzou balsemen
wijzouden balsemen
julliezouden balsemen
zijzouden balsemen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou balsemend hebben
jijzou balsemend hebben
hij/zij/hetzou balsemend hebben
wijzouden balsemend hebben
julliezouden balsemend hebben
zijzouden balsemend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het balsemen
jijbent aan het balsemen
hij/zij/hetis aan het balsemen
wijzijn aan het balsemen
julliezijn aan het balsemen
zijzijn aan het balsemen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het balsemen
jijwas aan het balsemen
hij/zij/hetwas aan het balsemen
wijwaren aan het balsemen
julliewaren aan het balsemen
zijwaren aan het balsemen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbalsem
jijbalsem
hij/zij/hetbalsem
wijbalsem
julliebalsem
zijbalsem

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0