FlexiVerb

Dutch Verb

baren

to bear, to give birth to · to cause, to bring about

takes hebbenstrongregular

Infinitive

baren

Past Participle

barend

Pres. Participle

barend

Imperative

baar / baart

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbaar
jijbaart
hij/zij/hetbaart
wijbaren
julliebaren
zijbaren

Verleden tijd

Simple Past

ikbaarde
jijbaarde
hij/zij/hetbaarde
wijbaarden
julliebaarden
zijbaarden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb barend
jijhebt barend
hij/zij/hetheeft barend
wijhebben barend
julliehebben barend
zijhebben barend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad barend
jijhad barend
hij/zij/hethad barend
wijhadden barend
julliehadden barend
zijhadden barend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal baren
jijzal baren
hij/zij/hetzal baren
wijzullen baren
julliezullen baren
zijzullen baren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal barend hebben
jijzal barend hebben
hij/zij/hetzal barend hebben
wijzullen barend hebben
julliezullen barend hebben
zijzullen barend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou baren
jijzou baren
hij/zij/hetzou baren
wijzouden baren
julliezouden baren
zijzouden baren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou barend hebben
jijzou barend hebben
hij/zij/hetzou barend hebben
wijzouden barend hebben
julliezouden barend hebben
zijzouden barend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het baren
jijbent aan het baren
hij/zij/hetis aan het baren
wijzijn aan het baren
julliezijn aan het baren
zijzijn aan het baren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het baren
jijwas aan het baren
hij/zij/hetwas aan het baren
wijwaren aan het baren
julliewaren aan het baren
zijwaren aan het baren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbar
jijbar
hij/zij/hetbar
wijbar
julliebar
zijbar

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0