Dutch Verb
baseren
to base (to have as its foundation or starting point)
takes hebbenstrongregular
Infinitive
baseren
Past Participle
baserend
Pres. Participle
baserend
Imperative
baseer / baseert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbaseer
jijbaseert
hij/zij/hetbaseert
wijbaseren
julliebaseren
zijbaseren
Verleden tijd
Simple Past
ikbaseerde
jijbaseerde
hij/zij/hetbaseerde
wijbaseerden
julliebaseerden
zijbaseerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb baserend
jijhebt baserend
hij/zij/hetheeft baserend
wijhebben baserend
julliehebben baserend
zijhebben baserend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad baserend
jijhad baserend
hij/zij/hethad baserend
wijhadden baserend
julliehadden baserend
zijhadden baserend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal baseren
jijzal baseren
hij/zij/hetzal baseren
wijzullen baseren
julliezullen baseren
zijzullen baseren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal baserend hebben
jijzal baserend hebben
hij/zij/hetzal baserend hebben
wijzullen baserend hebben
julliezullen baserend hebben
zijzullen baserend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou baseren
jijzou baseren
hij/zij/hetzou baseren
wijzouden baseren
julliezouden baseren
zijzouden baseren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou baserend hebben
jijzou baserend hebben
hij/zij/hetzou baserend hebben
wijzouden baserend hebben
julliezouden baserend hebben
zijzouden baserend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het baseren
jijbent aan het baseren
hij/zij/hetis aan het baseren
wijzijn aan het baseren
julliezijn aan het baseren
zijzijn aan het baseren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het baseren
jijwas aan het baseren
hij/zij/hetwas aan het baseren
wijwaren aan het baseren
julliewaren aan het baseren
zijwaren aan het baseren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbaser
jijbaser
hij/zij/hetbaser
wijbaser
julliebaser
zijbaser
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0