FlexiVerb

Dutch Verb

beamen

to say, reply 'amen' after an uttering, notably in prayer or liturgy (especially in a responsory) · to assent to a statement

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beamen

Past Participle

beamend

Pres. Participle

beamend

Imperative

beaam / beaamt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeaam
jijbeaamt
hij/zij/hetbeaamt
wijbeamen
julliebeamen
zijbeamen

Verleden tijd

Simple Past

ikbeaamde
jijbeaamde
hij/zij/hetbeaamde
wijbeaamden
julliebeaamden
zijbeaamden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb beamend
jijhebt beamend
hij/zij/hetheeft beamend
wijhebben beamend
julliehebben beamend
zijhebben beamend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad beamend
jijhad beamend
hij/zij/hethad beamend
wijhadden beamend
julliehadden beamend
zijhadden beamend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beamen
jijzal beamen
hij/zij/hetzal beamen
wijzullen beamen
julliezullen beamen
zijzullen beamen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal beamend hebben
jijzal beamend hebben
hij/zij/hetzal beamend hebben
wijzullen beamend hebben
julliezullen beamend hebben
zijzullen beamend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beamen
jijzou beamen
hij/zij/hetzou beamen
wijzouden beamen
julliezouden beamen
zijzouden beamen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou beamend hebben
jijzou beamend hebben
hij/zij/hetzou beamend hebben
wijzouden beamend hebben
julliezouden beamend hebben
zijzouden beamend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beamen
jijbent aan het beamen
hij/zij/hetis aan het beamen
wijzijn aan het beamen
julliezijn aan het beamen
zijzijn aan het beamen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beamen
jijwas aan het beamen
hij/zij/hetwas aan het beamen
wijwaren aan het beamen
julliewaren aan het beamen
zijwaren aan het beamen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbeam
jijbeam
hij/zij/hetbeam
wijbeam
julliebeam
zijbeam

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0