Dutch Verb
bedekken
to cover, bedeck
takes hebbenstrongregular
Infinitive
bedekken
Past Participle
bedekkend
Pres. Participle
bedekkend
Imperative
bedek / bedekt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbedek
jijbedekt
hij/zij/hetbedekt
wijbedekken
julliebedekken
zijbedekken
Verleden tijd
Simple Past
ikbedekte
jijbedekte
hij/zij/hetbedekte
wijbedekten
julliebedekten
zijbedekten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bedekkend
jijhebt bedekkend
hij/zij/hetheeft bedekkend
wijhebben bedekkend
julliehebben bedekkend
zijhebben bedekkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bedekkend
jijhad bedekkend
hij/zij/hethad bedekkend
wijhadden bedekkend
julliehadden bedekkend
zijhadden bedekkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bedekken
jijzal bedekken
hij/zij/hetzal bedekken
wijzullen bedekken
julliezullen bedekken
zijzullen bedekken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bedekkend hebben
jijzal bedekkend hebben
hij/zij/hetzal bedekkend hebben
wijzullen bedekkend hebben
julliezullen bedekkend hebben
zijzullen bedekkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bedekken
jijzou bedekken
hij/zij/hetzou bedekken
wijzouden bedekken
julliezouden bedekken
zijzouden bedekken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bedekkend hebben
jijzou bedekkend hebben
hij/zij/hetzou bedekkend hebben
wijzouden bedekkend hebben
julliezouden bedekkend hebben
zijzouden bedekkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bedekken
jijbent aan het bedekken
hij/zij/hetis aan het bedekken
wijzijn aan het bedekken
julliezijn aan het bedekken
zijzijn aan het bedekken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bedekken
jijwas aan het bedekken
hij/zij/hetwas aan het bedekken
wijwaren aan het bedekken
julliewaren aan het bedekken
zijwaren aan het bedekken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbedekk
jijbedekk
hij/zij/hetbedekk
wijbedekk
julliebedekk
zijbedekk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0