FlexiVerb

Dutch Verb

beelden

to shape, form · to form an image in the mind, to picture, imagine · to give an impression of something

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beelden

Past Participle

beeldend

Pres. Participle

beeldend

Imperative

beeld / beeldt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeeld
jijbeeldt
hij/zij/hetbeeldt
wijbeelden
julliebeelden
zijbeelden

Verleden tijd

Simple Past

ikbeeldde
jijbeeldde
hij/zij/hetbeeldde
wijbeeldden
julliebeeldden
zijbeeldden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb beeldend
jijhebt beeldend
hij/zij/hetheeft beeldend
wijhebben beeldend
julliehebben beeldend
zijhebben beeldend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad beeldend
jijhad beeldend
hij/zij/hethad beeldend
wijhadden beeldend
julliehadden beeldend
zijhadden beeldend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beelden
jijzal beelden
hij/zij/hetzal beelden
wijzullen beelden
julliezullen beelden
zijzullen beelden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal beeldend hebben
jijzal beeldend hebben
hij/zij/hetzal beeldend hebben
wijzullen beeldend hebben
julliezullen beeldend hebben
zijzullen beeldend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beelden
jijzou beelden
hij/zij/hetzou beelden
wijzouden beelden
julliezouden beelden
zijzouden beelden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou beeldend hebben
jijzou beeldend hebben
hij/zij/hetzou beeldend hebben
wijzouden beeldend hebben
julliezouden beeldend hebben
zijzouden beeldend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beelden
jijbent aan het beelden
hij/zij/hetis aan het beelden
wijzijn aan het beelden
julliezijn aan het beelden
zijzijn aan het beelden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beelden
jijwas aan het beelden
hij/zij/hetwas aan het beelden
wijwaren aan het beelden
julliewaren aan het beelden
zijwaren aan het beelden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbeeld
jijbeeld
hij/zij/hetbeeld
wijbeeld
julliebeeld
zijbeeld

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0