FlexiVerb

Dutch Verb

begeven

to give way, to collapse, to break down · to go (somewhere), move towards

takes hebbenstrongregular

Infinitive

begeven

Past Participle

begevend

Pres. Participle

begevend

Imperative

begeef / begeeft

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbegeef
jijbegeeft
hij/zij/hetbegeeft
wijbegeven
julliebegeven
zijbegeven

Verleden tijd

Simple Past

ikbegaf
jijbegaf
hij/zij/hetbegaf
wijbegaven
julliebegaven
zijbegaven

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb begevend
jijhebt begevend
hij/zij/hetheeft begevend
wijhebben begevend
julliehebben begevend
zijhebben begevend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad begevend
jijhad begevend
hij/zij/hethad begevend
wijhadden begevend
julliehadden begevend
zijhadden begevend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal begeven
jijzal begeven
hij/zij/hetzal begeven
wijzullen begeven
julliezullen begeven
zijzullen begeven

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal begevend hebben
jijzal begevend hebben
hij/zij/hetzal begevend hebben
wijzullen begevend hebben
julliezullen begevend hebben
zijzullen begevend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou begeven
jijzou begeven
hij/zij/hetzou begeven
wijzouden begeven
julliezouden begeven
zijzouden begeven

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou begevend hebben
jijzou begevend hebben
hij/zij/hetzou begevend hebben
wijzouden begevend hebben
julliezouden begevend hebben
zijzouden begevend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het begeven
jijbent aan het begeven
hij/zij/hetis aan het begeven
wijzijn aan het begeven
julliezijn aan het begeven
zijzijn aan het begeven

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het begeven
jijwas aan het begeven
hij/zij/hetwas aan het begeven
wijwaren aan het begeven
julliewaren aan het begeven
zijwaren aan het begeven
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbegev
jijbegev
hij/zij/hetbegev
wijbegev
julliebegev
zijbegev

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0