FlexiVerb

Dutch Verb

behangen

to hang things on, to behang · to wallpaper

takes hebbenstrongregular

Infinitive

behangen

Past Participle

behangend

Pres. Participle

behangend

Imperative

behang / behangt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbehang
jijbehangt
hij/zij/hetbehangt
wijbehangen
julliebehangen
zijbehangen

Verleden tijd

Simple Past

ikbehing
jijbehing
hij/zij/hetbehing
wijbehingen
julliebehingen
zijbehingen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb behangend
jijhebt behangend
hij/zij/hetheeft behangend
wijhebben behangend
julliehebben behangend
zijhebben behangend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad behangend
jijhad behangend
hij/zij/hethad behangend
wijhadden behangend
julliehadden behangend
zijhadden behangend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal behangen
jijzal behangen
hij/zij/hetzal behangen
wijzullen behangen
julliezullen behangen
zijzullen behangen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal behangend hebben
jijzal behangend hebben
hij/zij/hetzal behangend hebben
wijzullen behangend hebben
julliezullen behangend hebben
zijzullen behangend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou behangen
jijzou behangen
hij/zij/hetzou behangen
wijzouden behangen
julliezouden behangen
zijzouden behangen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou behangend hebben
jijzou behangend hebben
hij/zij/hetzou behangend hebben
wijzouden behangend hebben
julliezouden behangend hebben
zijzouden behangend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het behangen
jijbent aan het behangen
hij/zij/hetis aan het behangen
wijzijn aan het behangen
julliezijn aan het behangen
zijzijn aan het behangen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het behangen
jijwas aan het behangen
hij/zij/hetwas aan het behangen
wijwaren aan het behangen
julliewaren aan het behangen
zijwaren aan het behangen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbehang
jijbehang
hij/zij/hetbehang
wijbehang
julliebehang
zijbehang

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0