FlexiVerb

Dutch Verb

bekennen

to acknowledge, confess · to see, to make out, to discern · to have sex, to know, have carnal knowledge

takes hebbenstrongregular

Infinitive

bekennen

Past Participle

bekennend

Pres. Participle

bekennend

Imperative

beken / bekent

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeken
jijbekent
hij/zij/hetbekent
wijbekennen
julliebekennen
zijbekennen

Verleden tijd

Simple Past

ikbekende
jijbekende
hij/zij/hetbekende
wijbekenden
julliebekenden
zijbekenden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bekennend
jijhebt bekennend
hij/zij/hetheeft bekennend
wijhebben bekennend
julliehebben bekennend
zijhebben bekennend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bekennend
jijhad bekennend
hij/zij/hethad bekennend
wijhadden bekennend
julliehadden bekennend
zijhadden bekennend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bekennen
jijzal bekennen
hij/zij/hetzal bekennen
wijzullen bekennen
julliezullen bekennen
zijzullen bekennen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bekennend hebben
jijzal bekennend hebben
hij/zij/hetzal bekennend hebben
wijzullen bekennend hebben
julliezullen bekennend hebben
zijzullen bekennend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bekennen
jijzou bekennen
hij/zij/hetzou bekennen
wijzouden bekennen
julliezouden bekennen
zijzouden bekennen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bekennend hebben
jijzou bekennend hebben
hij/zij/hetzou bekennend hebben
wijzouden bekennend hebben
julliezouden bekennend hebben
zijzouden bekennend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bekennen
jijbent aan het bekennen
hij/zij/hetis aan het bekennen
wijzijn aan het bekennen
julliezijn aan het bekennen
zijzijn aan het bekennen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bekennen
jijwas aan het bekennen
hij/zij/hetwas aan het bekennen
wijwaren aan het bekennen
julliewaren aan het bekennen
zijwaren aan het bekennen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbekenn
jijbekenn
hij/zij/hetbekenn
wijbekenn
julliebekenn
zijbekenn

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0