FlexiVerb

Dutch Verb

bekken

to peck (at a target) · to snap, to sneer (at someone) · to sound, to feel in the mouth when sung or spoken, to roll off the tongue a certain way · to kiss intensely, to French kiss

takes hebbenstrongregular

Infinitive

bekken

Past Participle

bekkend

Pres. Participle

bekkend

Imperative

bek / bekt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbek
jijbekt
hij/zij/hetbekt
wijbekken
julliebekken
zijbekken

Verleden tijd

Simple Past

ikbekte
jijbekte
hij/zij/hetbekte
wijbekten
julliebekten
zijbekten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bekkend
jijhebt bekkend
hij/zij/hetheeft bekkend
wijhebben bekkend
julliehebben bekkend
zijhebben bekkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bekkend
jijhad bekkend
hij/zij/hethad bekkend
wijhadden bekkend
julliehadden bekkend
zijhadden bekkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bekken
jijzal bekken
hij/zij/hetzal bekken
wijzullen bekken
julliezullen bekken
zijzullen bekken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bekkend hebben
jijzal bekkend hebben
hij/zij/hetzal bekkend hebben
wijzullen bekkend hebben
julliezullen bekkend hebben
zijzullen bekkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bekken
jijzou bekken
hij/zij/hetzou bekken
wijzouden bekken
julliezouden bekken
zijzouden bekken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bekkend hebben
jijzou bekkend hebben
hij/zij/hetzou bekkend hebben
wijzouden bekkend hebben
julliezouden bekkend hebben
zijzouden bekkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bekken
jijbent aan het bekken
hij/zij/hetis aan het bekken
wijzijn aan het bekken
julliezijn aan het bekken
zijzijn aan het bekken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bekken
jijwas aan het bekken
hij/zij/hetwas aan het bekken
wijwaren aan het bekken
julliewaren aan het bekken
zijwaren aan het bekken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbekk
jijbekk
hij/zij/hetbekk
wijbekk
julliebekk
zijbekk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0