Dutch Verb
beklemtonen
to stress (a syllable) · to emphasize, to stress
takes hebbenstrongregular
Infinitive
beklemtonen
Past Participle
beklemtonend
Pres. Participle
beklemtonend
Imperative
beklemtoon / beklemtoont
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbeklemtoon
jijbeklemtoont
hij/zij/hetbeklemtoont
wijbeklemtonen
julliebeklemtonen
zijbeklemtonen
Verleden tijd
Simple Past
ikbeklemtoonde
jijbeklemtoonde
hij/zij/hetbeklemtoonde
wijbeklemtoonden
julliebeklemtoonden
zijbeklemtoonden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb beklemtonend
jijhebt beklemtonend
hij/zij/hetheeft beklemtonend
wijhebben beklemtonend
julliehebben beklemtonend
zijhebben beklemtonend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad beklemtonend
jijhad beklemtonend
hij/zij/hethad beklemtonend
wijhadden beklemtonend
julliehadden beklemtonend
zijhadden beklemtonend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal beklemtonen
jijzal beklemtonen
hij/zij/hetzal beklemtonen
wijzullen beklemtonen
julliezullen beklemtonen
zijzullen beklemtonen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal beklemtonend hebben
jijzal beklemtonend hebben
hij/zij/hetzal beklemtonend hebben
wijzullen beklemtonend hebben
julliezullen beklemtonend hebben
zijzullen beklemtonend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou beklemtonen
jijzou beklemtonen
hij/zij/hetzou beklemtonen
wijzouden beklemtonen
julliezouden beklemtonen
zijzouden beklemtonen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou beklemtonend hebben
jijzou beklemtonend hebben
hij/zij/hetzou beklemtonend hebben
wijzouden beklemtonend hebben
julliezouden beklemtonend hebben
zijzouden beklemtonend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het beklemtonen
jijbent aan het beklemtonen
hij/zij/hetis aan het beklemtonen
wijzijn aan het beklemtonen
julliezijn aan het beklemtonen
zijzijn aan het beklemtonen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het beklemtonen
jijwas aan het beklemtonen
hij/zij/hetwas aan het beklemtonen
wijwaren aan het beklemtonen
julliewaren aan het beklemtonen
zijwaren aan het beklemtonen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbeklemton
jijbeklemton
hij/zij/hetbeklemton
wijbeklemton
julliebeklemton
zijbeklemton
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0