Dutch Verb
belagen
to beleaguer, waylay · to vex, harass or beset
takes hebbenstrongregular
Infinitive
belagen
Past Participle
belagend
Pres. Participle
belagend
Imperative
belaag / belaagt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbelaag
jijbelaagt
hij/zij/hetbelaagt
wijbelagen
julliebelagen
zijbelagen
Verleden tijd
Simple Past
ikbelaagde
jijbelaagde
hij/zij/hetbelaagde
wijbelaagden
julliebelaagden
zijbelaagden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb belagend
jijhebt belagend
hij/zij/hetheeft belagend
wijhebben belagend
julliehebben belagend
zijhebben belagend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad belagend
jijhad belagend
hij/zij/hethad belagend
wijhadden belagend
julliehadden belagend
zijhadden belagend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal belagen
jijzal belagen
hij/zij/hetzal belagen
wijzullen belagen
julliezullen belagen
zijzullen belagen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal belagend hebben
jijzal belagend hebben
hij/zij/hetzal belagend hebben
wijzullen belagend hebben
julliezullen belagend hebben
zijzullen belagend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou belagen
jijzou belagen
hij/zij/hetzou belagen
wijzouden belagen
julliezouden belagen
zijzouden belagen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou belagend hebben
jijzou belagend hebben
hij/zij/hetzou belagend hebben
wijzouden belagend hebben
julliezouden belagend hebben
zijzouden belagend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het belagen
jijbent aan het belagen
hij/zij/hetis aan het belagen
wijzijn aan het belagen
julliezijn aan het belagen
zijzijn aan het belagen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het belagen
jijwas aan het belagen
hij/zij/hetwas aan het belagen
wijwaren aan het belagen
julliewaren aan het belagen
zijwaren aan het belagen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbelag
jijbelag
hij/zij/hetbelag
wijbelag
julliebelag
zijbelag
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0