FlexiVerb

Dutch Verb

belanden

to end up

takes hebbenstrongregular

Infinitive

belanden

Past Participle

belandend

Pres. Participle

belandend

Imperative

beland / belandt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeland
jijbelandt
hij/zij/hetbelandt
wijbelanden
julliebelanden
zijbelanden

Verleden tijd

Simple Past

ikbelandde
jijbelandde
hij/zij/hetbelandde
wijbelandden
julliebelandden
zijbelandden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb belandend
jijhebt belandend
hij/zij/hetheeft belandend
wijhebben belandend
julliehebben belandend
zijhebben belandend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad belandend
jijhad belandend
hij/zij/hethad belandend
wijhadden belandend
julliehadden belandend
zijhadden belandend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal belanden
jijzal belanden
hij/zij/hetzal belanden
wijzullen belanden
julliezullen belanden
zijzullen belanden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal belandend hebben
jijzal belandend hebben
hij/zij/hetzal belandend hebben
wijzullen belandend hebben
julliezullen belandend hebben
zijzullen belandend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou belanden
jijzou belanden
hij/zij/hetzou belanden
wijzouden belanden
julliezouden belanden
zijzouden belanden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou belandend hebben
jijzou belandend hebben
hij/zij/hetzou belandend hebben
wijzouden belandend hebben
julliezouden belandend hebben
zijzouden belandend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het belanden
jijbent aan het belanden
hij/zij/hetis aan het belanden
wijzijn aan het belanden
julliezijn aan het belanden
zijzijn aan het belanden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het belanden
jijwas aan het belanden
hij/zij/hetwas aan het belanden
wijwaren aan het belanden
julliewaren aan het belanden
zijwaren aan het belanden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbeland
jijbeland
hij/zij/hetbeland
wijbeland
julliebeland
zijbeland

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0