Dutch Verb
belemmeren
to obstruct, to hinder, to hamper
takes hebbenstrongregular
Infinitive
belemmeren
Past Participle
belemmerend
Pres. Participle
belemmerend
Imperative
belemmer / belemmert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbelemmer
jijbelemmert
hij/zij/hetbelemmert
wijbelemmeren
julliebelemmeren
zijbelemmeren
Verleden tijd
Simple Past
ikbelemmerde
jijbelemmerde
hij/zij/hetbelemmerde
wijbelemmerden
julliebelemmerden
zijbelemmerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb belemmerend
jijhebt belemmerend
hij/zij/hetheeft belemmerend
wijhebben belemmerend
julliehebben belemmerend
zijhebben belemmerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad belemmerend
jijhad belemmerend
hij/zij/hethad belemmerend
wijhadden belemmerend
julliehadden belemmerend
zijhadden belemmerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal belemmeren
jijzal belemmeren
hij/zij/hetzal belemmeren
wijzullen belemmeren
julliezullen belemmeren
zijzullen belemmeren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal belemmerend hebben
jijzal belemmerend hebben
hij/zij/hetzal belemmerend hebben
wijzullen belemmerend hebben
julliezullen belemmerend hebben
zijzullen belemmerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou belemmeren
jijzou belemmeren
hij/zij/hetzou belemmeren
wijzouden belemmeren
julliezouden belemmeren
zijzouden belemmeren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou belemmerend hebben
jijzou belemmerend hebben
hij/zij/hetzou belemmerend hebben
wijzouden belemmerend hebben
julliezouden belemmerend hebben
zijzouden belemmerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het belemmeren
jijbent aan het belemmeren
hij/zij/hetis aan het belemmeren
wijzijn aan het belemmeren
julliezijn aan het belemmeren
zijzijn aan het belemmeren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het belemmeren
jijwas aan het belemmeren
hij/zij/hetwas aan het belemmeren
wijwaren aan het belemmeren
julliewaren aan het belemmeren
zijwaren aan het belemmeren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbelemmer
jijbelemmer
hij/zij/hetbelemmer
wijbelemmer
julliebelemmer
zijbelemmer
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0