FlexiVerb

Dutch Verb

beleven

to experience, live through, go through · to profess, practice openly (notably a faith or conviction) · to live, exist in (a time or space) · to observe, follow (a command etc.)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beleven

Past Participle

belevend

Pres. Participle

belevend

Imperative

beleef / beleeft

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeleef
jijbeleeft
hij/zij/hetbeleeft
wijbeleven
julliebeleven
zijbeleven

Verleden tijd

Simple Past

ikbeleefde
jijbeleefde
hij/zij/hetbeleefde
wijbeleefden
julliebeleefden
zijbeleefden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb belevend
jijhebt belevend
hij/zij/hetheeft belevend
wijhebben belevend
julliehebben belevend
zijhebben belevend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad belevend
jijhad belevend
hij/zij/hethad belevend
wijhadden belevend
julliehadden belevend
zijhadden belevend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beleven
jijzal beleven
hij/zij/hetzal beleven
wijzullen beleven
julliezullen beleven
zijzullen beleven

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal belevend hebben
jijzal belevend hebben
hij/zij/hetzal belevend hebben
wijzullen belevend hebben
julliezullen belevend hebben
zijzullen belevend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beleven
jijzou beleven
hij/zij/hetzou beleven
wijzouden beleven
julliezouden beleven
zijzouden beleven

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou belevend hebben
jijzou belevend hebben
hij/zij/hetzou belevend hebben
wijzouden belevend hebben
julliezouden belevend hebben
zijzouden belevend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beleven
jijbent aan het beleven
hij/zij/hetis aan het beleven
wijzijn aan het beleven
julliezijn aan het beleven
zijzijn aan het beleven

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beleven
jijwas aan het beleven
hij/zij/hetwas aan het beleven
wijwaren aan het beleven
julliewaren aan het beleven
zijwaren aan het beleven
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbelev
jijbelev
hij/zij/hetbelev
wijbelev
julliebelev
zijbelev

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0