Dutch Verb
belezen
to exorcise · to convince, persuade
takes hebbenstrongregular
Infinitive
belezen
Past Participle
belezend
Pres. Participle
belezend
Imperative
belees / beleest
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbelees
jijbeleest
hij/zij/hetbeleest
wijbelezen
julliebelezen
zijbelezen
Verleden tijd
Simple Past
ikbelas
jijbelas
hij/zij/hetbelas
wijbelazen
julliebelazen
zijbelazen
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb belezend
jijhebt belezend
hij/zij/hetheeft belezend
wijhebben belezend
julliehebben belezend
zijhebben belezend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad belezend
jijhad belezend
hij/zij/hethad belezend
wijhadden belezend
julliehadden belezend
zijhadden belezend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal belezen
jijzal belezen
hij/zij/hetzal belezen
wijzullen belezen
julliezullen belezen
zijzullen belezen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal belezend hebben
jijzal belezend hebben
hij/zij/hetzal belezend hebben
wijzullen belezend hebben
julliezullen belezend hebben
zijzullen belezend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou belezen
jijzou belezen
hij/zij/hetzou belezen
wijzouden belezen
julliezouden belezen
zijzouden belezen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou belezend hebben
jijzou belezend hebben
hij/zij/hetzou belezend hebben
wijzouden belezend hebben
julliezouden belezend hebben
zijzouden belezend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het belezen
jijbent aan het belezen
hij/zij/hetis aan het belezen
wijzijn aan het belezen
julliezijn aan het belezen
zijzijn aan het belezen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het belezen
jijwas aan het belezen
hij/zij/hetwas aan het belezen
wijwaren aan het belezen
julliewaren aan het belezen
zijwaren aan het belezen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbelez
jijbelez
hij/zij/hetbelez
wijbelez
julliebelez
zijbelez
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0