Dutch Verb
beloven
to promise
takes hebbenstrongregular
Infinitive
beloven
Past Participle
belovend
Pres. Participle
belovend
Imperative
beloof / belooft
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbeloof
jijbelooft
hij/zij/hetbelooft
wijbeloven
julliebeloven
zijbeloven
Verleden tijd
Simple Past
ikbeloofde
jijbeloofde
hij/zij/hetbeloofde
wijbeloofden
julliebeloofden
zijbeloofden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb belovend
jijhebt belovend
hij/zij/hetheeft belovend
wijhebben belovend
julliehebben belovend
zijhebben belovend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad belovend
jijhad belovend
hij/zij/hethad belovend
wijhadden belovend
julliehadden belovend
zijhadden belovend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal beloven
jijzal beloven
hij/zij/hetzal beloven
wijzullen beloven
julliezullen beloven
zijzullen beloven
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal belovend hebben
jijzal belovend hebben
hij/zij/hetzal belovend hebben
wijzullen belovend hebben
julliezullen belovend hebben
zijzullen belovend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou beloven
jijzou beloven
hij/zij/hetzou beloven
wijzouden beloven
julliezouden beloven
zijzouden beloven
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou belovend hebben
jijzou belovend hebben
hij/zij/hetzou belovend hebben
wijzouden belovend hebben
julliezouden belovend hebben
zijzouden belovend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het beloven
jijbent aan het beloven
hij/zij/hetis aan het beloven
wijzijn aan het beloven
julliezijn aan het beloven
zijzijn aan het beloven
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het beloven
jijwas aan het beloven
hij/zij/hetwas aan het beloven
wijwaren aan het beloven
julliewaren aan het beloven
zijwaren aan het beloven
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbelov
jijbelov
hij/zij/hetbelov
wijbelov
julliebelov
zijbelov
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0