FlexiVerb

Dutch Verb

beoefenen

to practice regularly, ongoing: some sport, craft, skill, or profession

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beoefenen

Past Participle

beoefenend

Pres. Participle

beoefenend

Imperative

beoefen / beoefent

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeoefen
jijbeoefent
hij/zij/hetbeoefent
wijbeoefenen
julliebeoefenen
zijbeoefenen

Verleden tijd

Simple Past

ikbeoefende
jijbeoefende
hij/zij/hetbeoefende
wijbeoefenden
julliebeoefenden
zijbeoefenden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb beoefenend
jijhebt beoefenend
hij/zij/hetheeft beoefenend
wijhebben beoefenend
julliehebben beoefenend
zijhebben beoefenend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad beoefenend
jijhad beoefenend
hij/zij/hethad beoefenend
wijhadden beoefenend
julliehadden beoefenend
zijhadden beoefenend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beoefenen
jijzal beoefenen
hij/zij/hetzal beoefenen
wijzullen beoefenen
julliezullen beoefenen
zijzullen beoefenen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal beoefenend hebben
jijzal beoefenend hebben
hij/zij/hetzal beoefenend hebben
wijzullen beoefenend hebben
julliezullen beoefenend hebben
zijzullen beoefenend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beoefenen
jijzou beoefenen
hij/zij/hetzou beoefenen
wijzouden beoefenen
julliezouden beoefenen
zijzouden beoefenen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou beoefenend hebben
jijzou beoefenend hebben
hij/zij/hetzou beoefenend hebben
wijzouden beoefenend hebben
julliezouden beoefenend hebben
zijzouden beoefenend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beoefenen
jijbent aan het beoefenen
hij/zij/hetis aan het beoefenen
wijzijn aan het beoefenen
julliezijn aan het beoefenen
zijzijn aan het beoefenen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beoefenen
jijwas aan het beoefenen
hij/zij/hetwas aan het beoefenen
wijwaren aan het beoefenen
julliewaren aan het beoefenen
zijwaren aan het beoefenen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbeoefen
jijbeoefen
hij/zij/hetbeoefen
wijbeoefen
julliebeoefen
zijbeoefen

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0