FlexiVerb

Dutch Verb

beoordelen

to evaluate, to assess, to judge

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beoordelen

Past Participle

beoordelend

Pres. Participle

beoordelend

Imperative

beoordeel / beoordeelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeoordeel
jijbeoordeelt
hij/zij/hetbeoordeelt
wijbeoordelen
julliebeoordelen
zijbeoordelen

Verleden tijd

Simple Past

ikbeoordeelde
jijbeoordeelde
hij/zij/hetbeoordeelde
wijbeoordeelden
julliebeoordeelden
zijbeoordeelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb beoordelend
jijhebt beoordelend
hij/zij/hetheeft beoordelend
wijhebben beoordelend
julliehebben beoordelend
zijhebben beoordelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad beoordelend
jijhad beoordelend
hij/zij/hethad beoordelend
wijhadden beoordelend
julliehadden beoordelend
zijhadden beoordelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beoordelen
jijzal beoordelen
hij/zij/hetzal beoordelen
wijzullen beoordelen
julliezullen beoordelen
zijzullen beoordelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal beoordelend hebben
jijzal beoordelend hebben
hij/zij/hetzal beoordelend hebben
wijzullen beoordelend hebben
julliezullen beoordelend hebben
zijzullen beoordelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beoordelen
jijzou beoordelen
hij/zij/hetzou beoordelen
wijzouden beoordelen
julliezouden beoordelen
zijzouden beoordelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou beoordelend hebben
jijzou beoordelend hebben
hij/zij/hetzou beoordelend hebben
wijzouden beoordelend hebben
julliezouden beoordelend hebben
zijzouden beoordelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beoordelen
jijbent aan het beoordelen
hij/zij/hetis aan het beoordelen
wijzijn aan het beoordelen
julliezijn aan het beoordelen
zijzijn aan het beoordelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beoordelen
jijwas aan het beoordelen
hij/zij/hetwas aan het beoordelen
wijwaren aan het beoordelen
julliewaren aan het beoordelen
zijwaren aan het beoordelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbeoordel
jijbeoordel
hij/zij/hetbeoordel
wijbeoordel
julliebeoordel
zijbeoordel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0