FlexiVerb

Dutch Verb

beschimpen

to taunt · to abuse

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beschimpen

Past Participle

beschimpend

Pres. Participle

beschimpend

Imperative

beschimp / beschimpt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeschimp
jijbeschimpt
hij/zij/hetbeschimpt
wijbeschimpen
julliebeschimpen
zijbeschimpen

Verleden tijd

Simple Past

ikbeschimpte
jijbeschimpte
hij/zij/hetbeschimpte
wijbeschimpten
julliebeschimpten
zijbeschimpten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb beschimpend
jijhebt beschimpend
hij/zij/hetheeft beschimpend
wijhebben beschimpend
julliehebben beschimpend
zijhebben beschimpend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad beschimpend
jijhad beschimpend
hij/zij/hethad beschimpend
wijhadden beschimpend
julliehadden beschimpend
zijhadden beschimpend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beschimpen
jijzal beschimpen
hij/zij/hetzal beschimpen
wijzullen beschimpen
julliezullen beschimpen
zijzullen beschimpen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal beschimpend hebben
jijzal beschimpend hebben
hij/zij/hetzal beschimpend hebben
wijzullen beschimpend hebben
julliezullen beschimpend hebben
zijzullen beschimpend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beschimpen
jijzou beschimpen
hij/zij/hetzou beschimpen
wijzouden beschimpen
julliezouden beschimpen
zijzouden beschimpen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou beschimpend hebben
jijzou beschimpend hebben
hij/zij/hetzou beschimpend hebben
wijzouden beschimpend hebben
julliezouden beschimpend hebben
zijzouden beschimpend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beschimpen
jijbent aan het beschimpen
hij/zij/hetis aan het beschimpen
wijzijn aan het beschimpen
julliezijn aan het beschimpen
zijzijn aan het beschimpen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beschimpen
jijwas aan het beschimpen
hij/zij/hetwas aan het beschimpen
wijwaren aan het beschimpen
julliewaren aan het beschimpen
zijwaren aan het beschimpen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbeschimp
jijbeschimp
hij/zij/hetbeschimp
wijbeschimp
julliebeschimp
zijbeschimp

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0