Dutch Verb
beslaan
to cover, occupy · to surround, envelop · to fog up · to shoe (a horse with horseshoes)
takes hebbenstrongregular
Infinitive
beslaan
Past Participle
beslaand
Pres. Participle
beslaand
Imperative
besla / beslaat
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbesla
jijbeslaat
hij/zij/hetbeslaat
wijbeslaan
julliebeslaan
zijbeslaan
Verleden tijd
Simple Past
ikbesloeg
jijbesloeg
hij/zij/hetbesloeg
wijbesloegen
julliebesloegen
zijbesloegen
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb beslaand
jijhebt beslaand
hij/zij/hetheeft beslaand
wijhebben beslaand
julliehebben beslaand
zijhebben beslaand
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad beslaand
jijhad beslaand
hij/zij/hethad beslaand
wijhadden beslaand
julliehadden beslaand
zijhadden beslaand
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal beslaan
jijzal beslaan
hij/zij/hetzal beslaan
wijzullen beslaan
julliezullen beslaan
zijzullen beslaan
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal beslaand hebben
jijzal beslaand hebben
hij/zij/hetzal beslaand hebben
wijzullen beslaand hebben
julliezullen beslaand hebben
zijzullen beslaand hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou beslaan
jijzou beslaan
hij/zij/hetzou beslaan
wijzouden beslaan
julliezouden beslaan
zijzouden beslaan
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou beslaand hebben
jijzou beslaand hebben
hij/zij/hetzou beslaand hebben
wijzouden beslaand hebben
julliezouden beslaand hebben
zijzouden beslaand hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het beslaan
jijbent aan het beslaan
hij/zij/hetis aan het beslaan
wijzijn aan het beslaan
julliezijn aan het beslaan
zijzijn aan het beslaan
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het beslaan
jijwas aan het beslaan
hij/zij/hetwas aan het beslaan
wijwaren aan het beslaan
julliewaren aan het beslaan
zijwaren aan het beslaan
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbeslaa
jijbeslaa
hij/zij/hetbeslaa
wijbeslaa
julliebeslaa
zijbeslaa
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0