Dutch Verb
besparen
to spare, save from · to save (money), economize
takes hebbenstrongregular
Infinitive
besparen
Past Participle
besparend
Pres. Participle
besparend
Imperative
bespaar / bespaart
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbespaar
jijbespaart
hij/zij/hetbespaart
wijbesparen
julliebesparen
zijbesparen
Verleden tijd
Simple Past
ikbespaarde
jijbespaarde
hij/zij/hetbespaarde
wijbespaarden
julliebespaarden
zijbespaarden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb besparend
jijhebt besparend
hij/zij/hetheeft besparend
wijhebben besparend
julliehebben besparend
zijhebben besparend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad besparend
jijhad besparend
hij/zij/hethad besparend
wijhadden besparend
julliehadden besparend
zijhadden besparend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal besparen
jijzal besparen
hij/zij/hetzal besparen
wijzullen besparen
julliezullen besparen
zijzullen besparen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal besparend hebben
jijzal besparend hebben
hij/zij/hetzal besparend hebben
wijzullen besparend hebben
julliezullen besparend hebben
zijzullen besparend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou besparen
jijzou besparen
hij/zij/hetzou besparen
wijzouden besparen
julliezouden besparen
zijzouden besparen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou besparend hebben
jijzou besparend hebben
hij/zij/hetzou besparend hebben
wijzouden besparend hebben
julliezouden besparend hebben
zijzouden besparend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het besparen
jijbent aan het besparen
hij/zij/hetis aan het besparen
wijzijn aan het besparen
julliezijn aan het besparen
zijzijn aan het besparen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het besparen
jijwas aan het besparen
hij/zij/hetwas aan het besparen
wijwaren aan het besparen
julliewaren aan het besparen
zijwaren aan het besparen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbespar
jijbespar
hij/zij/hetbespar
wijbespar
julliebespar
zijbespar
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0