FlexiVerb

Dutch Verb

bestempelen

to label

takes hebbenstrongregular

Infinitive

bestempelen

Past Participle

bestempelend

Pres. Participle

bestempelend

Imperative

bestempel / bestempelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbestempel
jijbestempelt
hij/zij/hetbestempelt
wijbestempelen
julliebestempelen
zijbestempelen

Verleden tijd

Simple Past

ikbestempelde
jijbestempelde
hij/zij/hetbestempelde
wijbestempelden
julliebestempelden
zijbestempelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bestempelend
jijhebt bestempelend
hij/zij/hetheeft bestempelend
wijhebben bestempelend
julliehebben bestempelend
zijhebben bestempelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bestempelend
jijhad bestempelend
hij/zij/hethad bestempelend
wijhadden bestempelend
julliehadden bestempelend
zijhadden bestempelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bestempelen
jijzal bestempelen
hij/zij/hetzal bestempelen
wijzullen bestempelen
julliezullen bestempelen
zijzullen bestempelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bestempelend hebben
jijzal bestempelend hebben
hij/zij/hetzal bestempelend hebben
wijzullen bestempelend hebben
julliezullen bestempelend hebben
zijzullen bestempelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bestempelen
jijzou bestempelen
hij/zij/hetzou bestempelen
wijzouden bestempelen
julliezouden bestempelen
zijzouden bestempelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bestempelend hebben
jijzou bestempelend hebben
hij/zij/hetzou bestempelend hebben
wijzouden bestempelend hebben
julliezouden bestempelend hebben
zijzouden bestempelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bestempelen
jijbent aan het bestempelen
hij/zij/hetis aan het bestempelen
wijzijn aan het bestempelen
julliezijn aan het bestempelen
zijzijn aan het bestempelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bestempelen
jijwas aan het bestempelen
hij/zij/hetwas aan het bestempelen
wijwaren aan het bestempelen
julliewaren aan het bestempelen
zijwaren aan het bestempelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbestempel
jijbestempel
hij/zij/hetbestempel
wijbestempel
julliebestempel
zijbestempel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0