FlexiVerb

Dutch Verb

beven

to shake, to shiver, to tremble

takes hebbenstrongregular

Infinitive

beven

Past Participle

bevend

Pres. Participle

bevend

Imperative

beef / beeft

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbeef
jijbeeft
hij/zij/hetbeeft
wijbeven
julliebeven
zijbeven

Verleden tijd

Simple Past

ikbeefde
jijbeefde
hij/zij/hetbeefde
wijbeefden
julliebeefden
zijbeefden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bevend
jijhebt bevend
hij/zij/hetheeft bevend
wijhebben bevend
julliehebben bevend
zijhebben bevend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bevend
jijhad bevend
hij/zij/hethad bevend
wijhadden bevend
julliehadden bevend
zijhadden bevend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal beven
jijzal beven
hij/zij/hetzal beven
wijzullen beven
julliezullen beven
zijzullen beven

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bevend hebben
jijzal bevend hebben
hij/zij/hetzal bevend hebben
wijzullen bevend hebben
julliezullen bevend hebben
zijzullen bevend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou beven
jijzou beven
hij/zij/hetzou beven
wijzouden beven
julliezouden beven
zijzouden beven

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bevend hebben
jijzou bevend hebben
hij/zij/hetzou bevend hebben
wijzouden bevend hebben
julliezouden bevend hebben
zijzouden bevend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het beven
jijbent aan het beven
hij/zij/hetis aan het beven
wijzijn aan het beven
julliezijn aan het beven
zijzijn aan het beven

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het beven
jijwas aan het beven
hij/zij/hetwas aan het beven
wijwaren aan het beven
julliewaren aan het beven
zijwaren aan het beven
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbev
jijbev
hij/zij/hetbev
wijbev
julliebev
zijbev

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0