Dutch Verb
bevolken
to populate
takes hebbenstrongregular
Infinitive
bevolken
Past Participle
bevolkend
Pres. Participle
bevolkend
Imperative
bevolk / bevolkt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbevolk
jijbevolkt
hij/zij/hetbevolkt
wijbevolken
julliebevolken
zijbevolken
Verleden tijd
Simple Past
ikbevolkte
jijbevolkte
hij/zij/hetbevolkte
wijbevolkten
julliebevolkten
zijbevolkten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bevolkend
jijhebt bevolkend
hij/zij/hetheeft bevolkend
wijhebben bevolkend
julliehebben bevolkend
zijhebben bevolkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bevolkend
jijhad bevolkend
hij/zij/hethad bevolkend
wijhadden bevolkend
julliehadden bevolkend
zijhadden bevolkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bevolken
jijzal bevolken
hij/zij/hetzal bevolken
wijzullen bevolken
julliezullen bevolken
zijzullen bevolken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bevolkend hebben
jijzal bevolkend hebben
hij/zij/hetzal bevolkend hebben
wijzullen bevolkend hebben
julliezullen bevolkend hebben
zijzullen bevolkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bevolken
jijzou bevolken
hij/zij/hetzou bevolken
wijzouden bevolken
julliezouden bevolken
zijzouden bevolken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bevolkend hebben
jijzou bevolkend hebben
hij/zij/hetzou bevolkend hebben
wijzouden bevolkend hebben
julliezouden bevolkend hebben
zijzouden bevolkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bevolken
jijbent aan het bevolken
hij/zij/hetis aan het bevolken
wijzijn aan het bevolken
julliezijn aan het bevolken
zijzijn aan het bevolken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bevolken
jijwas aan het bevolken
hij/zij/hetwas aan het bevolken
wijwaren aan het bevolken
julliewaren aan het bevolken
zijwaren aan het bevolken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbevolk
jijbevolk
hij/zij/hetbevolk
wijbevolk
julliebevolk
zijbevolk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0