Dutch Verb
bevoordelen
to favor, advantage, benefit
takes hebbenstrongregular
Infinitive
bevoordelen
Past Participle
bevoordelend
Pres. Participle
bevoordelend
Imperative
bevoordeel / bevoordeelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbevoordeel
jijbevoordeelt
hij/zij/hetbevoordeelt
wijbevoordelen
julliebevoordelen
zijbevoordelen
Verleden tijd
Simple Past
ikbevoordeelde
jijbevoordeelde
hij/zij/hetbevoordeelde
wijbevoordeelden
julliebevoordeelden
zijbevoordeelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bevoordelend
jijhebt bevoordelend
hij/zij/hetheeft bevoordelend
wijhebben bevoordelend
julliehebben bevoordelend
zijhebben bevoordelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bevoordelend
jijhad bevoordelend
hij/zij/hethad bevoordelend
wijhadden bevoordelend
julliehadden bevoordelend
zijhadden bevoordelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bevoordelen
jijzal bevoordelen
hij/zij/hetzal bevoordelen
wijzullen bevoordelen
julliezullen bevoordelen
zijzullen bevoordelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bevoordelend hebben
jijzal bevoordelend hebben
hij/zij/hetzal bevoordelend hebben
wijzullen bevoordelend hebben
julliezullen bevoordelend hebben
zijzullen bevoordelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bevoordelen
jijzou bevoordelen
hij/zij/hetzou bevoordelen
wijzouden bevoordelen
julliezouden bevoordelen
zijzouden bevoordelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bevoordelend hebben
jijzou bevoordelend hebben
hij/zij/hetzou bevoordelend hebben
wijzouden bevoordelend hebben
julliezouden bevoordelend hebben
zijzouden bevoordelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bevoordelen
jijbent aan het bevoordelen
hij/zij/hetis aan het bevoordelen
wijzijn aan het bevoordelen
julliezijn aan het bevoordelen
zijzijn aan het bevoordelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bevoordelen
jijwas aan het bevoordelen
hij/zij/hetwas aan het bevoordelen
wijwaren aan het bevoordelen
julliewaren aan het bevoordelen
zijwaren aan het bevoordelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbevoordel
jijbevoordel
hij/zij/hetbevoordel
wijbevoordel
julliebevoordel
zijbevoordel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0