Dutch Verb
bezielen
to give a soul to, to animate · to inspire
takes hebbenstrongregular
Infinitive
bezielen
Past Participle
bezielend
Pres. Participle
bezielend
Imperative
beziel / bezielt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbeziel
jijbezielt
hij/zij/hetbezielt
wijbezielen
julliebezielen
zijbezielen
Verleden tijd
Simple Past
ikbezielde
jijbezielde
hij/zij/hetbezielde
wijbezielden
julliebezielden
zijbezielden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bezielend
jijhebt bezielend
hij/zij/hetheeft bezielend
wijhebben bezielend
julliehebben bezielend
zijhebben bezielend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bezielend
jijhad bezielend
hij/zij/hethad bezielend
wijhadden bezielend
julliehadden bezielend
zijhadden bezielend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bezielen
jijzal bezielen
hij/zij/hetzal bezielen
wijzullen bezielen
julliezullen bezielen
zijzullen bezielen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bezielend hebben
jijzal bezielend hebben
hij/zij/hetzal bezielend hebben
wijzullen bezielend hebben
julliezullen bezielend hebben
zijzullen bezielend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bezielen
jijzou bezielen
hij/zij/hetzou bezielen
wijzouden bezielen
julliezouden bezielen
zijzouden bezielen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bezielend hebben
jijzou bezielend hebben
hij/zij/hetzou bezielend hebben
wijzouden bezielend hebben
julliezouden bezielend hebben
zijzouden bezielend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bezielen
jijbent aan het bezielen
hij/zij/hetis aan het bezielen
wijzijn aan het bezielen
julliezijn aan het bezielen
zijzijn aan het bezielen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bezielen
jijwas aan het bezielen
hij/zij/hetwas aan het bezielen
wijwaren aan het bezielen
julliewaren aan het bezielen
zijwaren aan het bezielen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbeziel
jijbeziel
hij/zij/hetbeziel
wijbeziel
julliebeziel
zijbeziel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0