Dutch Verb
bezighouden
to keep busy, to occupy · to occupy oneself, to be productive
takes hebbenstrongregular
Infinitive
bezighouden
Past Participle
bezighoudend
Pres. Participle
bezighoudend
Imperative
hou bezig / houdt bezig
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikhou bezig
jijhoudt bezig
hij/zij/hethoudt bezig
wijhouden bezig
julliehouden bezig
zijhouden bezig
Verleden tijd
Simple Past
ikhield bezig
jijhield bezig
hij/zij/hethield bezig
wijhielden bezig
julliehielden bezig
zijhielden bezig
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bezighoudend
jijhebt bezighoudend
hij/zij/hetheeft bezighoudend
wijhebben bezighoudend
julliehebben bezighoudend
zijhebben bezighoudend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bezighoudend
jijhad bezighoudend
hij/zij/hethad bezighoudend
wijhadden bezighoudend
julliehadden bezighoudend
zijhadden bezighoudend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bezighouden
jijzal bezighouden
hij/zij/hetzal bezighouden
wijzullen bezighouden
julliezullen bezighouden
zijzullen bezighouden
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bezighoudend hebben
jijzal bezighoudend hebben
hij/zij/hetzal bezighoudend hebben
wijzullen bezighoudend hebben
julliezullen bezighoudend hebben
zijzullen bezighoudend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bezighouden
jijzou bezighouden
hij/zij/hetzou bezighouden
wijzouden bezighouden
julliezouden bezighouden
zijzouden bezighouden
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bezighoudend hebben
jijzou bezighoudend hebben
hij/zij/hetzou bezighoudend hebben
wijzouden bezighoudend hebben
julliezouden bezighoudend hebben
zijzouden bezighoudend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bezighouden
jijbent aan het bezighouden
hij/zij/hetis aan het bezighouden
wijzijn aan het bezighouden
julliezijn aan het bezighouden
zijzijn aan het bezighouden
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bezighouden
jijwas aan het bezighouden
hij/zij/hetwas aan het bezighouden
wijwaren aan het bezighouden
julliewaren aan het bezighouden
zijwaren aan het bezighouden
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbezighoud
jijbezighoud
hij/zij/hetbezighoud
wijbezighoud
julliebezighoud
zijbezighoud
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0